Omgangsregeling met de hond

Omgangsregeling met de hond

Een hond kan na het einde van een relatie onderwerp worden van een serieus geschil. Dat was het geval in de kwestie waarover de rechtbank Rotterdam op 2 juli 2026 besliste (ECLI:NL:RBROT:2026:9368).

Van gedeelde zorg naar eenzijdige uitsluiting
Een man en een vrouw hadden geen huwelijk of geregistreerd partnerschap. Zij hadden vanaf 2019 een relatie en zij kochten op 28 december 2020 gezamenlijk een Labrador. Na hun uiteengaan op 1 maart 2024 bleef de man in de voormalige gezamenlijke woning wonen; de vrouw verhuisde tijdelijk naar een appartement. De zorg voor de hond werd aanvankelijk in onderling overleg verdeeld. De hond verbleef doorgaans vaker bij de man omdat de woning van de vrouw minder geschikt was voor de hond, maar ook de vrouw droeg structureel zorg voor hem.

De situatie veranderde in februari 2026. De man gaf toen aan behoefte te hebben aan vaste afspraken. De vrouw stelde vervolgens voor om de hond voortaan gedurende de laatste week van iedere maand bij zich te hebben. Nadat de man aanvankelijk niet reageerde, liet hij weten dat hij de hond niet langer aan de vrouw zou meegeven. Vanaf 22 februari 2026 had de vrouw de hond niet meer gezien. Zij startte een kort geding waarin zij de rechtbank vroeg om een voorlopige zorg- en verblijfsregeling (beheersregeling) voor de hond te bepalen. De overdracht van de hond moest daarbij plaatsvinden via een neutrale tussenpersoon.

Eigendom hond
De rechtbank achtte mede-eigendom voorshands voldoende aannemelijk. Doorslaggevend waren onder meer het feit dat partijen ieder de helft van de aanschafprijs hadden betaald, de gezamenlijke betaling van verzorgingskosten, de registratie en verzekering op naam van de vrouw en de jarenlang gedeelde feitelijke zorg.

“Gelet op het voorgaande is in dit kort geding voorshands voldoende aannemelijk dat sprake is van mede-eigendom ten aanzien van [naam hond]. De mede-eigendom is dus het uitgangspunt.”, zo oordeelde de rechtbank.

Juridisch
Voor een kind kan een zorg- en verblijfsregeling worden gevraagd. Hebben de ouders gezamenlijk ouderlijk gezag dan is een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gebaseerd op artikel 1:253a BW. Hebben de ouders geen gezamenlijk ouderlijk dan is het recht op omgang van een kind met zijn ouders geregeld in artikel 1:377a BW. Maar een hond is geen kind. Tot 1 januari 2013 waren dieren in juridische zin een zaak. Populair gezegd: een dier was een ding. Voor zaken kon een zogenaamde beheersregeling worden bepaald. Sinds 1 januari 2013 is een dier juridisch geen zaak meer. Sedertdien is artikel 3:2a BW van kracht dat bepaalt dat de regels over zaken op dieren kunnen worden toegepast met inachtneming van wettelijke en ongeschreven beperkingen en rechtsbeginselen. Via artikel 3:2a BW kan daarom voor een hond een beheersregeling worden vastgesteld.

Het belang van de hond
Volgens de rechtbank brengt mede-eigendom mee dat beide partijen in beginsel gerechtigd zijn over de hond te beschikken en voor hem te zorgen. De man beriep zich op de medische situatie van de hond, die osteo-artrose had, en stelde dat de hond behoefte had aan één vaste verzorger en maximale regelmaat. De rechtbank vond die stellingen onvoldoende onderbouwd. De hond had steeds twee verzorgers gehad en niet was gebleken dat dit tot gedragsproblemen of verergering van de artrose had geleid.

Ook de actuele omstandigheden van de vrouw wogen mee. Zij woonde inmiddels in een geschikte woning, had een baan met thuiswerkmogelijkheden en kon terugvallen op haar moeder en een vriendin voor opvang van de hond. Bovendien had zij zich eerder actief ingezet voor de medische behandeling van de hond.

Verder had de vrouw, zowel tijdens de relatie met de man als daarna, veel tijd doorgebracht met de hond, met name op haar thuiswerkdagen. Zij had ook de puppycursus en gedragstrainingen met de hond gedaan. Zij had dus een hechte band met het dier opgebouwd.

Dit alles leidde volgens de rechtbank tot de conclusie dat de man de hond ten onrechte na 22 februari 2026 had weggehouden bij de vrouw.

De regeling
De rechtbank stelde een voorlopige zorg- en verblijfsregeling vast, inclusief een vakantieregeling. De man moest de vrouw de laatste twaalf dagen van iedere maand over de hond laten beschikken: van woensdagavond 20.00 uur tot zondagavond 20.00 uur van de daaropvolgende week. De vrouw haalde de hond op en bracht hem terug. Zij moest tijdig duidelijk maken welke dagen zij precies bedoelde.

Gaat één van beiden met vakantie, dan moest die partij de ander zo vroeg mogelijk gelegenheid geven de zorg over te nemen. Beide regelingen golden totdat in een bodemprocedure anders was beslist.

De overdracht via een neutrale tussenpersoon werd niet vastgesteld omdat partijen het erover eens waren dat de overdracht van de hond via een derde niet in het belang van de hond was. De vrouw had daarom toegezegd de hond te willen ophalen en terugbrengen bij de man.

Conclusie
De uitspraak onderstreept dat een relatiebreuk niet automatisch betekent dat één ex-partner de gezamenlijke hond eenzijdig kan opeisen. Wie samen eigenaar is en jarenlang samen voor het dier heeft gezorgd, doet er verstandig aan tijdig concrete afspraken te maken over verblijf, overdracht, vakanties en medische kosten. De uiteindelijke oplossing blijft afhankelijk van de feiten van het individuele geval.

Heeft u vragen naar aanleiding van bovenstaand artikel? Neem dan gerust vrijblijvend contact met ons op via info@sijbenpartners.nl of via 045-5602200. Wij helpen u graag verder.

Artikel geschreven door: Gabi Jongen