Stelplicht en bewijslast in het civiele (burgerlijk)procesrecht

Stelplicht en bewijslast in het civiele (burgerlijk)procesrecht

Bij het overdragen van een onderneming komen veel zaken kijken. Zo moet er juridisch, financieel en fiscaal veel geregeld worden. Maar een overdracht van een onderneming heeft ook gevolgen voor de werknemers van de onderneming. In dit artikel zal worden besproken wat de gevolgen zijn voor de werknemers bij een overname.

De stelplicht
De stelplicht houdt in dat een partij de feiten moet stellen die nodig zijn om haar vordering of verweer juridisch te dragen. Deze verplichting vloeit voort uit artikelen 21 en 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Wie iets vordert of betwist, moet voldoende concrete en relevante feiten aanvoeren.

De stelplicht gaat verder dan het doen van algemene of vage beweringen. Van partijen wordt verwacht dat zij hun stellingen voldoende gespecificeerd en gemotiveerd naar voren brengen. De rechter hoeft feiten die onvoldoende zijn gesteld, niet ambtshalve aan te vullen. Dit sluit aan bij het beginsel van partijautonomie: partijen bepalen zelf de omvang en inhoud van het geding.

Indien een partij niet voldoet aan haar stelplicht, kan de rechter daaraan verstrekkende gevolgen verbinden. Zo kan een vordering worden afgewezen of een verweer worden gepasseerd, zonder dat aan bewijslevering wordt toegekomen. De stelplicht fungeert daarmee als een eerste filter in de beoordeling van het geschil.

De bewijslast
De bewijslast ziet op de vraag wie het bewijsrisico draagt wanneer de feiten die zijn gesteld, worden betwist. Artikel 150 Rv bepaalt als hoofdregel dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast draagt van die feiten. Met andere woorden: wie stelt, bewijst.

De bewijslastverdeling is van groot belang, omdat onzekerheid over feiten in beginsel voor rekening komt van degene op wie de bewijslast rust. Slaagt een partij er niet in het vereiste bewijs te leveren, dan zal de rechter uitgaan van het ontbreken van dat feit, met mogelijk verlies van de procedure tot gevolg.

Relatie tussen stelplicht en bewijslast
Stelplicht en bewijslast zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder voldoende stellingen komt de rechter niet toe aan bewijslevering. Pas wanneer aan de stelplicht is voldaan en de wederpartij de gestelde feiten gemotiveerd betwist, ontstaat ruimte voor bewijs. Bewijs kan immers alleen worden geleverd van feiten die daadwerkelijk zijn gesteld.

Daarnaast kan de omvang van de stelplicht worden beïnvloed door de bewijslastverdeling. Van een partij die de bewijslast draagt, mag in de regel een zwaardere en meer gedetailleerde onderbouwing worden verlangd. In sommige gevallen leidt dit tot een verzwaarde stelplicht, bijvoorbeeld bij informatie-asymmetrie of professionele partijen.

Uitzonderingen en correcties
Hoewel artikel 150 Rv de hoofdregel bevat, kent het recht diverse uitzonderingen. De bewijslast kan worden omgekeerd door wettelijke bepalingen, jurisprudentie (bijvoorbeeld bij gevaarzetting of werkgeversaansprakelijkheid) of door de redelijkheid en billijkheid. Ook kan de rechter gebruikmaken van bewijsvermoedens of de bewijslast verdelen op een wijze die recht doet aan de omstandigheden van het geval.

Conclusie
Stelplicht en bewijslast vormen samen het fundament van de civiele bewijsrechtelijke systematiek. Zij dwingen partijen tot een zorgvuldige en transparante proceshouding en bieden de rechter een kader om geschillen ordelijk en rechtvaardig te beslechten.

Hebt u meer vragen over het burgerlijk procesrecht en/of wenst u een juridische procedure te beginnen, neem dan contact op met Zoë Heuts  Sijben en Partners Advocaten.

Artikel geschreven door: Zoë Heuts