Het Gerechtshof Amsterdam heeft recent geoordeeld over de vraag of het niet-biologische duomoederschap blijft bestaan na echtscheiding, ondanks dat de niet-biologische duomoeder geen DNA deelt met het kind en verder ook geen behoefte heeft aan contact met het kind.
Achtergrond
Moeder 1 en moeder 2 zijn in 2009 met elkaar gehuwd. Tijdens het huwelijk raakt moeder 2 zwanger na overspel en bevalt zij in 2013 van een zoon. Omdat sprake was van een bekende donor, wordt moeder 1 niet van rechtswege juridisch moeder, ondanks het huwelijk met moeder 2. In 2018 wordt het huwelijk door de rechtbank ontbonden en wordt het moederschap van moeder 1 gerechtelijk vastgesteld. Tevens wordt zij verplicht kinderalimentatie te betalen aan moeder 2.
Wettelijk kader
De Nederlandse wet kent geen mogelijkheid tot ontkenning van het moederschap na gerechtelijke vaststelling. Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vereist echter dat alle relevante omstandigheden worden meegewogen, primair vanuit het belang van het kind, maar ook vanuit het belang van de ouder.
Het geschil
Moeder 1 stelt dat zij en het kind nooit een band met elkaar hebben gehad en dat zij evenmin behoefte hebben aan contact met elkaar. Hoewel zij wel zorgtaken heeft verricht, is volgens haar nooit een warme band ontstaan. Het kind, bijgestaan door een bijzondere curator, heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen ontkenning van het moederschap van moeder 1. Om deze redenen verzoekt moeder 1 dan ook ontkenning van haar ouderschap.
De bijzondere curator benadrukt wel dat het voor een kind van belang is dat banden die zijn ontstaan binnen het gezin waarin het is geboren, worden behouden. Daarnaast heeft moeder 1 zich tot voor kort in enigermate verantwoordelijk gehouden voor het kind. De bijzondere curator is van mening dat artikel 3 IVRK er niet toe moet leiden dat het moederschap van moeder 1 wordt ontbonden.
Oordeel van het Hof
Het Hof oordeelt dat het ouderschap van moeder 1 niet door het huwelijk is ontstaan, maar door gerechtelijke vaststelling. Hierdoor kan het ouderschap op grond van het Nederlandse recht niet worden ontkend. Het Hof acht, ondanks het ontbreken van een band, het niet in het belang van het kind om het moederschap te beëindigen. Het kind is namelijk binnen het gezin van beide moeders geboren.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat er een leemte bestaat in de Nederlandse wetgeving om het ouderschap van een gerechtelijk vastgestelde niet-biologische ouder te ontkennen. Ondanks de stellingen van zowel de moeder als het kind over het ontbreken van een emotionele band en het feit dat het kind weet van het bestaan van zijn biologische vader, wijkt het Hof niet af van het uitgangspunt dat het ouderschap van moeder 1 volgens de Nederlandse wetgeving niet mag worden ontkend.
Onder het huidige recht en in het licht van sociale en maatschappelijke ontwikkelingen blijft de vraag bestaan of het ontbreken van deze mogelijkheid in specifieke gevallen niet strijdig is met de belangen van het kind.
Heeft u vragen over bovenstaand artikel neem dan vrijblijvend contact met ons op via: info@sijbenpartners.nl of 045-5602200. Wij helpen u graag verder.
Artikel geschreven door: Iona Lenssen