Onterechte loonsanctie!

Een werkgever werd door het UWV verplicht om een werknemer gedurende zijn ziekte ook een derde jaar het loon door te betalen. De werkgever heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV tot het opleggen van deze loonsanctie. De werkgever werd hierbij bijgestaan door één van onze advocaten. De meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant stelde de werkgever in het gelijk en heeft geoordeeld dat het UWV ten onrechte de loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever.

Een werknemer die wegens ziekte arbeidsongeschikt is, heeft in beginsel gedurende 104 weken (twee jaar) recht op (een deel van) loondoorbetaling van zijn salaris. Het tijdvak van 104 weken kan echter worden verlengd indien het UWV een loonsanctie oplegt aan de werkgever. Een loonsanctie is aldus een verplichting van het UWV aan een werkgever om het loon van een werknemer ook na twee jaar ziekte door te betalen. Deze loonsanctie kan maximaal één jaar duren, waarbij ontslag niet mogelijk is.

Het UWV kan aan een werkgever een loonsanctie opleggen indien het UWV van oordeel is dat met de re-integratie van een zieke werknemer geen bevredigend resultaat is behaald en de werkgever zonder deugdelijke grond te weinig inspanningen heeft verricht omtrent de re-integratie.

In onderhavige kwestie stelde het UWV zich op het standpunt dat de werkgever te laat is gestart met het zogenaamde tweede spoor en dat re-integratiekansen zijn gemist. Het tweede spoor moet worden ingezet door de werkgever wanneer re-integratie binnen de eigen organisatie niet mogelijk is. Dit dient uiterlijk binnen zes weken na het eerste ziektejaar te geschieden. Met het tweede spoor komt de re-integratie bij een andere werkgever in beeld. Dit tweede spoor zou in casu te laat zijn gestart door de werkgever en ook niet adequaat, aldus het UWV. De werkgever was het met vorengaande niet eens en voerde aan dat het tweede spoor tijdig en adequaat is opgestart. In feite was het tweede spoor zelfs al veel eerder ingezet dan het UWV meende, zo beargumenteerde wij namens de werkgever.

De rechtbank oordeelt in deze zaak dat de werkgever niet te laat is gestart met het tweede spoor en dat het besluit tot het opleggen van een loonsanctie onvoldoende is gemotiveerd. Een loonsanctiebesluit is een zogenaamd belastend besluit. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het daarom aan het UWV om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Vorengaande heeft het UWV niet, althans onvoldoende, aannemelijk kunnen maken. De loonsanctie is daarom niet terecht en het beroep van de werkgever is gegrond verklaard. De loonsanctie wordt naar oordeel van de rechtbank geacht nooit te hebben bestaan. De werkgever maakt nu aanspraak op het loon dat zij reeds had betaald aan de werknemer als gevolg van de opgelegde loonsanctie.

Heeft het UWV u als werkgever een loonsanctie opgelegd en wilt u weten of dit terecht is? Of heeft u andere vragen naar aanleiding van bovenstaande, neem dan vrijblijvend contact op met onze gespecialiseerde arbeidsrecht advocaten in Heerlen via info@sijbenpartners.nl dan wel via 045 – 560 22 00.