Privacy van de werknemer

Een werknemer heeft recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (privacy). Dit recht kent een wettelijke verankering in onder meer artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.

Eén van de dimensies van het recht op privacy van de werknemer betreft de ruimtelijke privacy. Ruimtelijke privacy impliceert dat een werknemer een fysieke en geestelijke ruimte heeft om zijn taak uit te oefenen. De werkgever mag daarom niet zonder meer al het handelen van de werknemer observeren, bijvoorbeeld door toetsing van e-mail- en internetgebruik.

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een set ‘vuistregels’ opgesteld ten aanzien van de controle op e-mail- en internetgebruik. Onder meer is van belang dat heldere regels worden opgesteld, met instemming van de ondernemingsraad, en dat deze worden gepubliceerd op een voor werknemers toegankelijke wijze. Voorts dienen de regels periodiek te worden geëvalueerd. Daarbij is van belang dat de werkgever aangeeft in hoeverre privégebruik van de faciliteiten is toegestaan en welke software daarvoor mag worden gebruikt.  

In de lijn van deze vuistregels en een groot aantal gepubliceerde uitspraken van met name kantonrechters oordeelde de Nationale ombudsman dat een werkgever, tot op zekere hoogte, zal moeten aanvaarden dat er onder werktijd privécontacten worden onderhouden. De werkgever behoort de privacy van deze contacten te waarborgen.

Vanwege het privékarakter van de mailberichten van de werknemer en het recht op privacy mag de werkgever zich slechts in uitzonderlijke gevallen toegang verschaffen tot de mailbox van een werknemer. De werkgever mag dit in beginsel alleen indien een werknemer op de hoogte is of zou kunnen zijn dat e-mail gecontroleerd kan worden, de werkgever een gerechtvaardigd doel heeft om e-mail te controleren en voldaan is aan de proportionaliteitseis.