Het recht op gedeeltelijke transitievergoeding na herplaatsing en salarisvermindering

Het recht op gedeeltelijke transitievergoeding na herplaatsing en salarisvermindering

De Hoge Raad heeft zich onlangs uitgelaten over de vraag of een werknemer die na langdurige arbeidsongeschiktheid in een lager betaalde functie wordt herplaatst, aanspraak kan maken op een gedeeltelijke transitievergoeding (ECLI:NL:HR:2020:749).

Feiten

In casu betrof het een werkneemster die sinds 2002 werkzaam was als docente in het primair onderwijs. Zij ontving een salaris van  € 3.313,- bruto per maand op basis van de werktijdfactor 1,0. Op haar arbeidsovereenkomst is de CAO PO van toepassing.

Nadat werkneemster op 7 januari 2013 langdurig ziek is uitgevallen wordt haar per 1 augustus 2015 ontslag verleend als docente. Met ingang van diezelfde datum wordt werkneemster voor onbepaalde tijd benoemd tot onderwijsassistente met een werktijdfactor van 0,8 en een bijbehorend salaris van € 1.706,40,- bruto per maand. Werkneemster stelt zich vervolgens op het standpunt dat zij vanwege de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst recht heeft op de volledige transitievergoeding, dan wel op een gedeeltelijke transitievergoeding naar evenredigheid van het deel van de arbeidsovereenkomst dat is beëindigd.

Gevoerde procedures in eerste aanleg en hoger beroep

Naast de werkgever zijn ook de kantonrechter en het gerechtshof van mening dat werkneemster geen recht heeft op een (gedeeltelijke) transitievergoeding. De Hoge Raad heeft het geding ter verdere behandeling en beslissing terugverwezen naar het gerechtshof, nu in hoger beroep sprake was van een procedurefout.

Het gerechtshof heeft bij tussenbeschikking geoordeeld dat werkneemster in ieder geval recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding in verband met de vermindering van haar arbeidsuren met twintig procent. Hiermee oordeelt het gerechtshof in overeenstemming met de Kolom-beschikking van de Hoge raad van 14 september 2018.[1] De vraag die vervolgens rijst is of werkneemster daarnaast ook recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding nu zij substantieel inkomensverlies lijdt doordat zij is herplaatst in een functie die is ingedeeld in een lagere salarisschaal. Hieromtrent heeft het gerechtshof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

Hoge Raad

De Hoge Raad is van mening dat een substantieel inkomensverlies niet gelijk kan worden gesteld aan een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit druist immers tegen het wettelijk stelsel en het karakter van de transitievergoeding als ontslagvergoeding in. Herplaatsing in een andere, passende en lagere functie is namelijk geen vorm van beëindiging, maar moet juist worden gezien als een manier om te voorkomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.

Een vergoeding voor een substantiële vermindering van de arbeidsuren is daarentegen wel in lijn met het wettelijk stelsel en het karakter van de transitievergoeding. Immers, door vermindering van de arbeidsuren wordt de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk beëindigd. Hiermee oordeelt de Hoge Raad in lijn met de eerder door haar gewezen Kolom-beschikking en sluit zij zich aan bij de conclusie van de Procureur-Generaal.

Terug naar de casus

In het onderhavige geval is werkneemster ontslagen als docente en is zij met ingang van diezelfde ontslagdatum benoemd in een andere functie bij dezelfde werkgever. Dit kan gelijk gesteld worden aan herplaatsing in een andere functie doordat de arbeidsovereenkomst wijzigt, zonder dat daadwerkelijk ontslag wordt verleend. Ontslag mag daarnaast ook enkel worden verleend indien er voor werkneemster geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn. Van een volledig ontslag is dan ook geen sprake. Wel heeft werkneemster twintig procent aan arbeidsuren moeten inleveren. Hiermee is de overeenkomst gedeeltelijke beëindigd, hetgeen werkneemster recht geeft op een gedeeltelijke transitievergoeding die naar rato wordt berekend.

Betekenis voor de praktijk

Met deze uitspraak wordt duidelijk dat de transitievergoeding als ontslagvergoeding in de zin van artikel 7:673 BW ziet op het verlies aan arbeidsuren, maar niet op het verlies van inkomen doordat een werknemer wordt herplaatst in een lager betaalde functie zonder substantieel verlies aan arbeidsuren. Wanneer een werknemer dus gehouden is arbeidsuren in te leveren, heeft hij naar rato recht op een gedeeltelijke transitievergoeding. Dit nu werkgever, in geval van een later algehele beëindiging van het dienstverband, anders een deel van zijn transitievergoeding zou mislopen.

 

[1] In de Kolom-beschikking overweegt de Hoge raad dat recht bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding indien sprake is van een structurele en substantiële vermindering van de arbeidsduur, omdat de werknemer anders, in geval van een later algehele beëindiging van het dienstverband, een deel van zijn transitievergoeding zou mislopen.

Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling VO 2020

Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling VO 2020

Op 30 april 2020 heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een ‘Subsidieregeling incidentele middelen voor de leerlingendaling in het voortgezet onderwijs’ geïntroduceerd. De subsidieregeling dient ter realisatie van een regionaal plan voor een levensvatbaar en goed onderwijsaanbod in tijden van krimp. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026.

Verwacht wordt dat het voortgezet onderwijs tussen 2016 en 2031 te maken krijgt met een krimp van 12%. Een daling van de leerlingaantallen betekent voor bevoegde gezagen dat ze minder geld binnenkrijgen. De bekostiging is namelijk grotendeels leerling afhankelijk. Zonder optreden dreigen er profielen, afdelingen of zelfs scholen te verdwijnen en kunnen leerlingen te maken krijgen met onacceptabele reistijden.

Het zorgdragen voor een toekomstbestendig regionaal onderwijsaanbod vraagt om een verschuiving van concurrentie naar samenwerking, waarbij het in stand houden van scholen en vestigingen geen doel op zich is, aldus minister Arie Slob. Het voortgezet onderwijs staat de komende jaren dan ook  voor een transitieopgave. Het garanderen van bereikbaar en kwalitatief goed onderwijs dient centraal te staan. Omdat de inzet van scholen gepaard gaat met extra kosten, is besloten de scholen tegemoet te komen met een subsidieregeling. Hiermee wordt het advies van de commissie Dijkgraaf over de gevolgen van leerlingendaling in het voortgezet onderwijs opgevolgd.

De subsidieregeling bestaat uit twee mogelijke subsidies, die ieder apart kunnen worden aangevraagd.

I Subsidie voor de planvorming

De subsidie voor de planvorming is bedoeld om binnen een regio met de beoogde samenwerkingspartners een gezamenlijk plan op te stellen. Voor het opstellen van een plan kan een vaste subsidie van € 50.000,- worden aangevraagd. In totaal is € 2,3 miljoen beschikbaar gesteld, dat wordt verdeeld in volgorde van binnenkomst over de aanvragen die voldoen aan de vereiste criteria. De aanvraag dient een overzicht te omvatten van de beoogde regio met de beoogde gemeente(n) en samenwerkingspartners en een onderbouwing waaruit blijkt dat er in de regio sprake is van een (verwachte) leerlingendaling van minimaal 10% binnen 5 jaar, waarbij het jaar van aanvraag onderdeel is van deze 5 jaar.

Schoolbesturen kunnen van 8 juni tot en met 22 juni 2020 een subsidieaanvraag voor de planvorming indienen. Een regio die een aanvraag voor planvorming heeft ingediend is niet verplicht om vervolgens ook subsidie aan te vragen voor de uitvoering van het opgestelde plan.

II Subsidie voor het uitvoeren van een regionaal plan leerlingendaling

Deze subsidie is bedoeld voor de uitvoering van het reeds opgestelde regionaal plan voor de (verwachte) leerlingendaling. De aanvraag kan worden ingediend door een bevoegd gezag dat als penvoerder optreedt namens de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst. Ook deze aanvraag moet voldoen aan een aantal voorwaarden, die vervolgens zullen worden beoordeeld door een onafhankelijke beoordelingscommissie. Zo moet de regio een aaneengesloten gebied omvatten, mag er geen overlap zijn met een andere regio, dienen ten minste 60% van alle leerlingen ingeschreven te staan op het grondgebied van de gemeente, dient ten minste 65% van de bevoegde gezagsorganen binnen de gemeente erbij betrokken te zijn en dient er sprake te zijn van een leerlingendaling van 10%. Aan de hand van een beoordelingskader wordt vervolgens de Minister geadviseerd, die uiteindelijk zal bepalen of de subsidieaanvraag wordt goedgekeurd.

Een regio kan voor de uitvoering van een plan maximaal € 700.000,- aan subsidie vragen. In totaal is een bedrag van € 22,7 miljoen beschikbaar gesteld. De subsidie kan van 15 december 2020 tot en met 31 januari 2021 aangevraagd worden. Een regio kan ook een aanvraag indienen zonder gebruik te maken van de eerste subsidie.

Voor schoolbesturen is voor de subsidieaanvraag een digitaal format beschikbaar gesteld op www.dus-i.nl.  Heeft u hulp nodig bij deze aanvraag of heeft u vragen bel ons dan.

Fusiecompensatie PO

Fusiecompensatie PO

In het basisonderwijs geldt de zogenaamde ‘fusiecompensatieregeling’. Deze regeling beoogt kort gezegd basisscholen te compenseren voor het wegvallen van onder meer vaste voeten, het verminderen van het aantal toeslagen ten behoeve van de schoolleiding en het verdwijnen of verminderen van de kleine scholentoeslag bij een fusie van basisscholen. De regeling beoogt negatieve prikkels weg te nemen die ontstaan bij het samenvoegen van basisscholen. Over deze regeling is een aantal rechtszaken gevoerd met wisselende conclusies. Middels een arrest van de Raad van State wordt duidelijkheid geboden.

Terugvordering fusiecompensatie

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, hierna te noemen: “Minister”, heeft in het verleden veel stof doen opwaaien door aan basisscholen op grond van de fusiecompensatieregeling 2015 toegekende fusiecompensatie terug te vorderen. Reden hiervoor was dat er op de fusiedatum géén leerlingen van de verdwijnende basisschool waren overgegaan naar de fusieschool, zodat er volgens de Minister niet gesproken kon worden van een samenvoeging.

De stand in de lagere rechtspraak hierover was reeds bekend, maar herhalen wij kortheidshalve nogmaals.

Lagere rechtspraak

Het merendeel van de rechters in eerste aanleg oordeelt dat de Minister de fusiecompensatie niet mocht terugvorderen, aangezien uit de fusiecompensatieregeling 2015 niet volgt dat het overgaan van leerlingen op de fusiedatum naar de fusieschool als voorwaarde heeft te gelden voor het ontvangen van fusiecompensatie.

Raad van State

Recentelijk heeft echter de Raad van State zich in drie zaken over het door de Minister terugvorderen van voornoemde fusiecompensatie uitgelaten, waarbij de Raad van State de Minister in het gelijk stelt. Volgens de Raad van State dient voor de uitleg van het begrip samenvoeging aansluiting gezocht te worden bij de betekenis daarvan in het normale spraakgebruik. De betekenis van de term samenvoeging is het tot een eenheid of geheel verenigen.

De Raad van State is van mening dat de essentie van het bestaan van een basisschool wordt ingegeven door het bieden van onderwijs aan leerlingen.  Een basisschool kan niet bestaan zonder leerlingen. Een basisschool die op de fusiedatum geen leerlingen heeft kan derhalve niet fuseren, maar dient te worden opgeheven.

De Raad van State heeft daarmee duidelijkheid verschaft ten aanzien van de mogelijkheid van de Minister om verstrekte fusiecompensatie op grond van de fusiecompensatieregeling 2015 terug te vorderen.

Huidige stand van zaken

Met ingang van het schooljaar 2017-2018 is een nieuwe fusiecompensatieregeling van kracht. De fusiecompensatieregeling 2017 bepaalt – in tegenstelling tot de fusiecompensatieregeling 2015 – expliciet, dat aanspraak bestaat op fusiecompensatie indien er een instroom heeft plaatsgevonden van de verdwijnende basisschool naar de fusieschool van minimaal 50%, respectievelijk tussen de 25% en 50%, van de leerlingen van groep 1 tot en met 7.

De voorwaarden waarop een basisschool aanspraak kan maken op fusiecompensatie zijn derhalve thans duidelijk.

Een en ander neemt echter niet weg dat basisscholen nog immer in onzekerheid verkeren of zij na een voorgenomen fusie daadwerkelijk aanspraak kunnen maken op fusiecompensatie. De feitelijke instroom van leerlingen op de fusieschool wordt immers pas duidelijk op 1 oktober, na de fusiedatum, en basisscholen hebben géén invloed op de keuze van ouders om hun kinderen al dan niet in te schrijven op de fusieschool.

Het is derhalve maar de vraag of de fusiecompensatieregeling 2017 de negatieve prikkel om basisscholen samen te voegen daadwerkelijk wegneemt.

De ketenregeling volgens de nieuwe CAO VO

De ketenregeling volgens de nieuwe CAO VO

Op 9 april 2020 hebben CAO-partijen een onderhandelaarsakkoord bereikt over een nieuwe CAO voor het Voortgezet Onderwijs. Eén van de tussen partijen gemaakte afspraken betreft de ketenregeling.

In de CAO VO 2018-2019 was ten aanzien van de ketenregeling voor het bijzonder onderwijs opgenomen dat er maximaal drie (3) tijdelijke contracten konden worden gesloten binnen een periode van 24 maanden (enkele uitzonderingen daargelaten). Hierbij sloot de CAO-tekst aan op de in 2015 door de Wet Werk en Zekerheid gewijzigde ketenregeling in artikel 7:668a BW.

Per 1 januari 2020 trad de Wet Arbeidsmarkt in Balans in werking, waardoor de ketenregeling in artikel 7:668a BW werd verruimd naar maximaal drie (3) contracten binnen een periode van 36 maanden. Aangezien de CAO VO 2018-2019 niet was aangepast aan deze ruimere wettelijke regeling, konden werkgevers in het bijzonder onderwijs hier geen gebruik van maken.

Voor het openbaar onderwijs was in de CAO VO 2018-2019 opgenomen dat er een onbeperkt aantal aanstellingen konden worden verleend binnen een maximale periode van 36 maanden (uitzonderingen daargelaten). Met de invoering van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren per 1 januari 2020 was het voor openbare onderwijsinstellingen onduidelijk waar zij zich ten aanzien van een reeks arbeidsovereenkomsten aan moesten houden: aan de regels uit de CAO VO 2018-2019 die golden voor het bijzonder onderwijs of gewoonweg aan de ruimere wettelijke regeling ex artikel 7:668a BW?

Waar veel onderwijsinstellingen hadden gehoopt op een ruimere mogelijkheid conform de huidige wettelijke regeling (maximaal drie (3) arbeidsovereenkomsten binnen 36 maanden) om een reeks van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten te kunnen geven, blijkt nu dat CAO-partijen zijn overeengekomen dat de regeling in de CAO VO 2018-2019 (maximaal drie (3) contracten binnen 24 maanden) niet zal worden gewijzigd en zal gelden voor zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Voor openbaar onderwijs zal deze regeling gaan gelden per 1 augustus 2021.

Hierop bestaan volgens het onderhandelaarsakkoord twee uitzonderingen, mede gezien de krimpsituatie in het voortgezet onderwijs:

  • Als een werkgever op grond van het meerjarenformatiebeleid formatieve problemen voorziet (meestal als gevolg van krimp) kan deze – met instemming van de (P)MR – een maximale termijn van drie jaar hanteren; en
  • De maximale termijn voor het aangaan van projectovereenkomsten wordt vier jaar.

De nieuwe CAO zal een looptijd hebben van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021. De integrale tekst van de nieuwe CAO moet nog worden opgesteld. Zie de volgende link voor het gehele onderhandelaarsakkoord:

https://www.vo-raad.nl/nieuws/nieuwe-cao-voor-werknemers-in-voortgezet-onderwijs.

Annuleren van busreizen en examentrainingen Lyceo

Annuleren van busreizen en examentrainingen Lyceo

Veel scholen worden op dit moment geconfronteerd met busreizen die door de corona crisis geen doorgang kunnen vinden. Scholen vragen zich af of zij deze reizen kunnen annuleren zonder kosten. Daarnaast worden ook veel scholen geconfronteerd met examentrainingen van Lyceo die ouders hebben gecontracteerd. Onderstaand zullen wij de hoofdlijnen rondom het annuleren van deze busreizen en examentrainingen toelichten.

1. Annuleren van busreizen

Voor de vraag of busreizen geannuleerd kunnen worden is het van belang om na te gaan of de reis een pakketreis is. Kortheidshalve wordt als pakketreis gedefinieerd een combinatie van tenminste twee verschillende reisdiensten voor dezelfde reis of vakantie, gecombineerd door een handelaar. Indien er geen sprake is van een pakketreis dan is sprake van een losse reis.

1.1 Busreizen die aangemerkt worden als pakketreis

Op grond van de wet kan de reiziger een pakketreisovereenkomst te allen tijde beëindigen vóór het begin van de pakketreis. In zulk geval kan de reiziger in de regel worden verplicht tot betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding aan de organisator. Voor ANVR-reizen is de hoogte van de vergoedingen afhankelijk van het moment van annuleren.

Echter, indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of voor het personenvervoer naar de bestemming, hoeft de reiziger geen vergoeding te betalen.

1.2 Losse reizen

Voor losse reizen die niet aangemerkt kunnen worden als pakketreizen gelden bovenstaande regels niet. In deze situaties is van belang hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst en veelal de algemene voorwaarden tussen partijen.

Eventueel kan de reisovereenkomst direct ontbonden worden zonder het vergoeden van kosten door de school, indien blijkt dat de reisaanbieder haar verplichting om de reis onder de overeengekomen afspraken aan te bieden niet kan nakomen.  Ook is het mogelijk de reisovereenkomst zonder kosten te wijzigen dan wel deze te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden.  Deze omstandigheden moeten wel aangetoond worden.

1.3 Conclusie busreizen

De school kan voor aanvang van de busreis besluiten de pakketreis te annuleren. In dat geval kan de school geconfronteerd worden met kosten. Indien de pakketreis wordt geannuleerd omdat deze geen doorgang kan vinden wegens bijzondere omstandigheden dan hoeft de school geen kosten te vergoeden.

Indien sprake is van losse reizen zijn de overeengekomen voorwaarden van belang. Aanvullend hieraan kan een beroep worden gedaan op onvoorziene omstandigheden waardoor de reis geen doorgang kan vinden. Indien een beroep hierop slaagt zijn geen kosten verschuldigd.

2. Examentrainingen Lyceo

Lyceo heeft met de ouders van leerlingen die een examentraining volgen overeenkomsten afgesloten waarop de algemene voorwaarden van Lyceo van toepassing zijn verklaard. Zoals ook reeds in de media besproken, heeft Lyceo op 25 maart jl. haar algemene voorwaarden gewijzigd. Deze in belangrijke mate in haar eigen voordeel. Deze wijziging heeft echter géén rechtsgevolgen voor de overeenkomsten welke voordien reeds waren gesloten door ouders van leerlingen. Op deze overeenkomsten zijn immers de algemene voorwaarden van toepassing die golden vóór 25 maart 2020.

Op die overeenkomsten is dan ook artikel 13.3 van de (oude) algemene voorwaarden van toepassing, welke luidt als volgt:

In geval van overmacht zal Lyceo zich inspannen om een passend alternatief te bieden voor de Dienst op een ander tijdstip of bij een andere Vestiging maximaal één uur reizen met het openbaar vervoer van de Vestiging waarvoor de Leerling zich heeft ingeschreven. Indien dat niet mogelijk blijkt, dan kan Contractant de Overeenkomst kosteloos opzeggen waarna Lyceo een eventueel betaald bedrag uiterlijk een maand na de definitieve opzegging door Contractant terugstort op een door Contractant aan te duiden bank- of girorekening.”

Gelet op de pandemie die Nederland in zijn greep houdt alsmede de maatregelen die de overheid genomen heeft om de gevolgen van COVID-2019 voor de volksgezondheid te beperken, waaronder het niet laten doorgaan van de centraal examens, hebben de ouders van leerlingen recht op terugbetaling van de door hen voldane bedragen ten aanzien van examentrainingen in plaats van een voucher.

Indien u meer informatie wenst dan kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00.

Wat betekent sluiting van de scholen voor de contracten met leveranciers?

Wat betekent sluiting van de scholen voor de contracten met leveranciers?

Door de tijdelijke sluiting van de scholen kunnen ook leveranciers van de scholen hun werk veelal niet doen. Denk aan uitzendbureaus die mensen ter beschikking stellen aan de scholen of aan schoonmakers die de school niet kunnen schoonmaken. Vraag is of de scholen toch verplicht zijn om kosten te vergoeden voor prestaties die niet geleverd (kunnen) worden.

De school kan zich op het standpunt stellen dat zij (tijdelijk) niet wenst af te nemen en als gevolg daarvan ook geen facturen zal betalen. Indien de overeenkomst een afnameverplichting kent zal de leverancier hier waarschijnlijk een beroep op doen. De school kan dit pareren met een beroep op overmacht overeenkomstig artikel 6:75 BW. Van belang hierbij is wel dat dit artikel partijen de mogelijkheid biedt hiervan af te wijken. Het is dan ook zaak in de overeenkomst na te gaan wat dienaangaande geregeld is.

Zoals uit het bovenstaande blijkt is cruciaal of in de overeenkomst sprake is van een afnameverplichting. Staat in het contract concreet wat, wanneer en hoeveel de school moet afnemen, of is er geen afnameverplichting geregeld. In dat laatste geval zou de school (tijdelijk) een beroep kunnen doen op het ontbreken van deze afnameverplichting. Of bevat de overeenkomst misschien wel een mogelijkheid om de aantallen die afgenomen worden tijdelijk te verlagen of stop te zetten.

Kortom, hoe vervelend ook voor de leverancier, het kan verstandig zijn om de contracten met de leveranciers ter hand te nemen.

Heeft u hierbij vragen of wenst u advies dan kunt u natuurlijk vrijblijvend contact met ons opnemen.

Bekrachtiging LIFO-arrest

Bekrachtiging LIFO-arrest

Zo konden wij in de laatste dagen van 2019 twee aanbestedingstrajecten voor LIFO succesvol afsluiten en bekrachtigde als klap op de vuurpijl het Gerechtshof te Den Haag de eerdere rechtsoverwegingen van de rechtbank Den Haag.

  1. Arrest Gerechtshof Den Haag

Het LIFO-concept bestaat uit een digitale licentie eventueel aangevuld met folio van een lesmethode waarbij het laatstgenoemde verbruiksmateriaal betreft voor eenjarig gebruik. Bij het vormgeven van de LIFO-aanbestedingen is ervoor gekozen om elke lesmethode en fijndistributie in separate percelen aan te besteden. Vorenstaande leidt ertoe dat de rol van de traditionele spelers op de leermiddelenmarkt aanzienlijk wijzigt. Het afgelopen jaar is er – wederom – veel te doen geweest omtrent het LIFO-concept. In 2018 hebben enkele distributeurs geageerd tegen de eerste LIFO-aanbesteding. De distributeurs zijn van mening dat de wijze waarop de (sub)percelen in een LIFO-aanbesteding zijn vormgegeven alsmede de aard en de werking van de gunningscriteria in strijd zijn met de kernbeginselen van het aanbestedingsrecht.

De Rechtbank Den Haag oordeelde eerder in haar vonnis van 27 november 2018 dat een LIFO-aanbesteding waarbij is gekozen om elke lesmethode alsmede de fijndistributie in separate percelen aan te besteden niet in strijd is met de kernbeginselen van het aanbestedingsrecht.

Door het indelen van kleinere percelen wordt de mededinging niet beperkt. Eveneens wordt in een LIFO-aanbesteding een gelijk speelveld gecreëerd voor zowel distributeurs en uitgevers. Op voorhand kan immers niet gezegd worden dat uitgevers per definitie het hoogste kortingspercentage kunnen aanbieden dan wel een hoog kortingspercentage kunnen compenseren via een verhoging van de consumentenprijzen. Gelet op het lumpsumbedrag per leerling ligt een ongebreidelde verhoging van de consumentenprijzen niet voor de hand.

Het hoger beroep van voornoemd vonnis heeft in 2019 gediend en bij arrest van 24 december 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag voornoemd vonnis bekrachtigd. Daarmee heeft het Hof de rechtsoverwegingen van de Rechtbank bevestigd.

Het is een groot goed dat – nogmaals – bevestigd is dat LIFO-aanbestedingen aanvaardbaar zijn. Schoolbesturen hebben per slot van rekening behoefte aan meer flexibiliteit en een goede mix van folio en digitaal materiaal. Middels een digitale licentie beschikken scholen over de meest actuele versie van een leermiddelen en kan iedere leerling op zijn of haar eigen leerniveau werken waardoor maatwerk kan worden geboden.

  1. Twee succesvolle aanbestedingen

In december van het vorige jaar mochten wij twee aanbestedingen voor leermiddelen met daarbij een aantal LIFO-percelen succesvol afsluiten. In navolging van de Stichting Carmelcollege is gebleken dat de LIFO-aanbestedingen voor steeds meer marktpartijen interessant zijn. Met als gevolg prima inschrijvingen voor de schoolbesturen en naar de toekomst niet alleen goede financiële vooruitzichten voor de onderhavige overeenkomsten, maar bovenal ook contracten die aansluiten bij de onderwijskundige ambities van de besturen waarbij de behoefte van de leerling voorop staat.

Op korte termijn zullen wij opnieuw een aantal lunchlezingen organiseren over de laatste ontwikkelingen. Tijdens deze lunchlezingen zullen wij u bijpraten over de laatste ontwikkelingen op dit terrein. Aangezien we steeds meer schoolbesturen uit het noorden mogen verwelkomen, zullen wij in 2020 ook lunchlezingen gaan verzorgen vanuit Deventer.

Onderzoek naar nieuwe verdeelsystematiek leerplusarrangement VO

Onderzoek naar nieuwe verdeelsystematiek leerplusarrangement VO

 De Wet op het voorgezet onderwijs (WVO) biedt de mogelijkheid aan scholen om in aanmerking te komen voor aanvullende bekostiging naast de reguliere bekostiging indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Zo biedt artikel 85a, eerste lid WVO de mogelijkheid op grond van de ‘regeling leerplusarrangement’ aanvullende bekostiging te vragen om zo relatieve onderwijsachterstanden tegen te gaan. Het gaat dan om achterstanden bij leerlingen ten opzichte van hun potentie veroorzaakt door ongunstige achtergrondkenmerken.

Huidige indicator VO

Bij de verdeling van deze middelen voor onderwijsachterstandenbeleid wordt in het VO momenteel gekeken naar het aandeel leerlingen per school dat woonachtig is in een ‘armoedeprobleemcumulatiegebied’ (apc-gebied). Een apc-gebied is een postcode waarin het gemiddelde inkomen laag is, veel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond wonen en een uitkering de voornaamste inkomstenbron is.

Wens Ministerie OCW

Het Ministerie OCW wil tot een andere systematiek komen voor de verdeling van de middelen uit de regeling leerplusarrangement VO. Minister Slob heeft door het CBS laten onderzoeken of de recent ontwikkelde nieuwe indicator voor het PO ook bruikbaar zou zijn voor het VO. Uit het door het CBS uitgevoerde onderzoek blijkt – met enige kanttekeningen – dat de nieuwe PO-indicator ook voor VO-leerlingen beter de risico’s op onderwijsachterstanden kan voorspellen dan de huidige apc-indicator. Hoe ziet deze indicator eruit?

PO-indicator

De nieuwe PO-indicator – die met ingang van 1 augustus 2019 van kracht is – betrekt meer omgevingskenmerken van leerlingen waardoor de voorspellende waarde of een leerling risico loopt op een onderwijsachterstand groter is geworden. Voor elke leerling wordt een ‘onderwijsscore’ berekend. Het gaat om een maat voor de verwachte onderwijsachterstand van de leerling gezien zijn omgevingskenmerken (ongeacht zijn intelligentie).

De volgende omgevingskenmerken worden meegenomen in de PO-indicator:

  • het opleidingsniveau van vader en moeder;
  • de verblijfsduur van de moeder in Nederland;
  • het gemiddelde opleidingsniveau van alle moeders op de betreffende school;
  • het land van herkomst van beide ouders;
  • of de ouders in een schuldsaneringstraject zitten.

Toekomstige ontwikkelingen

Het Ministerie OCW gaat in overleg met deskundigen en belanghebbenden om een nieuwe indicator voor het VO vorm te geven. Minister Slob verwacht dat dit proces nog enige tijd zal duren. De huidige VO-indicator zal voorlopig nog van kracht blijven en tevens worden geüpdatet aangezien thans nog wordt gewerkt met apc-gebieden uit 2005.

Zodra er ontwikkelingen zijn op dit terrein zullen wij u nader informeren.

 

 

 

Terug