Inschrijvingen terzijde gelegd alvorens aanvullende vragen te stellen

Inschrijvingen terzijde gelegd alvorens aanvullende vragen te stellen

Onlangs hebben zowel de voorzieningenrechter in Amsterdam als de voorzieningenrechter in Den Haag een interessant vonnis gewezen betreffende het terzijde leggen van een inschrijving. In beide zaken was de vraag aan de orde of de aanbestedende dienst, alvorens de inschrijving terzijde te leggen, aanvullende vragen had moeten stellen.

Rechtbank Amsterdam, 9 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4899

In juni 2017 is het UWV een aanbestedingsprocedure gestart voor de dienstverlening van haar verwerkingsinfrastructuur en technisch applicatiebeheer. Ten aanzien van deze opdracht heeft een drietal partijen tijdig een definitieve inschrijving ingediend. De inschrijving van één van deze drie partijen, te weten ‘IBM’, is terzijde gelegd omdat daarin enkele voorbehouden zijn geconstateerd.

Het gaat er volgens het UWV om dat:

  1. IBM drie optionele diensten gecombineerd heeft aangeboden, terwijl UWV zich het recht heeft voorbehouden die diensten geheel of deels af te nemen bij een derde;
  2. IBM een voorwaarde heeft gesteld voor het verstrekken van het Dataroomdossier;
  3. IBM een voorwaarde heeft gesteld, dan wel een aanname heeft gedaan voor het verstrekken van het Retransitiedossier.

IBM stelt zich in hoofdzaak op het standpunt dat de ongeldigverklaring van haar inschrijving gebaseerd is op onjuiste gronden en in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Zij acht de ongeldigverklaring met name proportioneel omdat het UWV-verificatievragen had moeten stellen, opdat IBM haar inschrijving had kunnen verduidelijken.

De voorzieningenrechter kan zich niet met dit standpunt verenigen. Ten aanzien van voornoemd punt 1 en 2 is de voorzieningenrechter de mening toegedaan dat IBM een eis heeft aangevuld in plaats van aan een eis van het UWV te voldoen. Dat sprake zou zijn van een vergissing blijkt verder niet uit de tekst van de inschrijving. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat het UWV geen aanvullende vragen had hoeven stellen aan IBM. Bovendien was het niet disproportioneel om IBM uit te sluiten van deelname nu deze sanctie was opgenomen in de stukken van de aanbestedende dienst.

Rechtbank Den Haag, 10 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:16406

De Staat der Nederlanden heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de inhuur van flexibele arbeidskrachten. De aanbesteding is onderverdeeld in acht percelen. Zowel Start People als Tempo-Team hebben ingeschreven op de percelen één tot en met zeven. De Staat heeft de inschrijving van Start People echter ongeldig verklaard.

Start People heeft zich bij inschrijving volledig akkoord verklaard met het Programma van Eisen en derhalve ook met eis 6.7. Deze eis komt er kortgezegd op neer dat de in verband met een opleiding bestede werkuren van de flexibele arbeidskrachten voor rekening van opdrachtnemer komen, tenzij het een opleiding betreft welke op nadrukkelijk verzoek van de deelnemende aanbestedende dienst wordt gevolgd.

Bij de beantwoording van wens 3 geeft Start People daarentegen aan dat zij de door flexibele arbeidskrachten aan de functiegerelateerde opleiding bestede tijd in rekening brengt bij de deelnemende aanbestedende dienst. In haar antwoord geeft zij niet aan dat de functiegerelateerde opleiding op uitdrukkelijk verzoek van de deelnemende aanbestedende dienst wordt gevolgd. Sterker nog, Start People geeft aan de functiegerelateerde opleiding proactief aan te bieden. De Staat is van mening niet anders te kunnen concluderen dan dat Start People met de wensuitwerking aangeeft niet te voldoen aan eis 6.7. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt.

Voor zover Start People aangeeft dat er sprake is van een uitvoeringseis, waaraan pas bij de uitvoering van de opdracht hoeft te worden voldaan en niet al in het stadium van de aanbestedingsprocedure, overweegt de rechtbank het volgende:

Aan Start kan in dit verband worden toegegeven dat een aanbestedende dienst in beginsel moet uitgaan van de Inschrijving en er op moet vertrouwen dat een Inschrijver zal voldoen aan uitvoeringseisen, als hij zich daarmee bij een inschrijving akkoord heeft verklaard. Dit uitgangspunt brengt echter niet met zich dat van een geldige inschrijving sprake is, alleen omdat Start zich akkoord heeft verklaard met het PvE, terwijl de beantwoording van Wens 3 die akkoordverklaring inhoudelijk niet ondersteunt. Dit volgt overigens ook uit de aanbestedingsstukken, waarin uitdrukkelijk staat vermeld dat een Inschrijving terzijde wordt gelegd als de akkoordverklaring met het PvE niet is afgegeven of als anderszins uit de Inschrijving – bijvoorbeeld uit de Wensenuitwerking – kan worden opgemaakt dat niet volledig wordt voldaan aan alle eisen’.

Nu vaststaat dat de inschrijving van Start People niet aan eis 6.7 voldoet en deze eis als een knock-out criterium is omschreven, heeft de Staat de inschrijving van Start People terecht terzijde gelegd. Daarmee is van een schending van het proportionaliteitsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel geen sprake. Anders dan Start People stelt kan het niet voldoen aan een eis uit het Programma van Eisen niet worden aangemerkt als een bagatel op grond waarvan de Staat terzijde legging achterwege had mogen laten. Een verificatievraag kon de Staat op dit punt ook niet stellen. De inschrijving van Start People was duidelijk. Beantwoording door Start People van een verificatievraag zou hebben geleid tot een wijziging van haar inschrijving, hetgeen aanbestedingsrechtelijk niet toelaatbaar is.

Een onvrijwillige uitschrijving kan gelden als een verwijderingsbeslissing (Geschillencommissie passend onderwijs, nr. 108723)

Een onvrijwillige uitschrijving kan gelden als een verwijderingsbeslissing (Geschillencommissie passend onderwijs, nr. 108723)

De Geschillencommissie passend onderwijs heeft op 25 juni 2019[1] een interessante uitspraak gewezen in het kader van een onvrijwillige uitschrijving van een leerling.

Feiten

Op 1 december 2016 is de leerling gestart op een school voor voortgezet speciaal onderwijs waar hij in een project, bedoeld voor leerlingen die moeite hebben om door te stromen naar klassikaal onderwijs, geplaatst is. Gedurende het project is het onderwijsniveau van de leerling niet komen vast te staan en is géén onderwijs op de school tot stand gekomen met als resultaat dat de leerling thuis is komen te zitten.

Vanaf het schooljaar 2018-2019 volgt de leerling particulier onderwijs op een andere school. Zowel de moeder van de leerling alsmede de particuliere school hebben in september 2018 kenbaar gemaakt aan de school voor voortgezet speciaal onderwijs dat vorenstaande een tijdelijke oplossing betreft en de leerling niet is ingeschreven op de betreffende particuliere school.

In maart 2019 heeft de afdeling Leerplicht van de gemeente een e-mail verzonden aan de school voor voortgezet speciaal onderwijs met de mededeling dat de leerling vanaf 27 augustus 2018 staat ingeschreven op de particuliere school en om die reden de school voor voortgezet speciaal onderwijs kan overgaan tot uitschrijving van de leerling.

De school voor voortgezet speciaal onderwijs heeft vervolgens de leerling uitgeschreven met terugwerkende kracht per 27 augustus 2018.

De moeder van de leerling heeft een geschil omtrent de eenzijdige uitschrijving aanhangig gemaakt bij de Geschillencommissie passend onderwijs.

Oordeel Geschillencommissie passend onderwijs

Op grond van artikel 45 lid 2 sub a WEC kunnen aan de Geschillencommissie geschillen worden voorgelegd die verband houden met de verwijdering van een leerling. De Geschillencommissie heeft geoordeeld dat hiermee gelijkgesteld dient te worden een eenzijdige uitschrijvingshandeling die ertoe leidt dat de leerling feitelijk van de school verwijderd wordt. De Geschillencommissie is aldus bevoegd om over het geschil te oordelen.

De Geschillencommissie oordeelde dat ondanks dat de afdeling Leerplicht van de gemeente de wettelijke taak heeft om toezicht te houden op naleving van de Leerplichtwet 1969 en verder kan worden aangemerkt als betrouwbare bron voor scholen, de school voor voortgezet speciaal onderwijs in het onderhavige geval niet tot uitschrijving mocht overgaan. Ingevolge artikel 10 Leerplichtwet 1969 kan een school immers enkel op verzoek van ouders een leerling uitschrijven vanwege een inschrijving op een andere school.

De moeder van de leerling had geen verzoek tot uitschrijving gedaan en ook niet op andere wijze toestemming gegeven voor de uitschrijving.

De uitschrijving van de leerling is derhalve ongeldig en dient ongedaan te worden gemaakt door de school voor voortgezet speciaal onderwijs. Omdat de uitschrijving van de leerling feitelijk het karakter had van een verwijdering, had de school voor voortgezet speciaal onderwijs een verwijderingsprocedure met de daarmee samenhangende waarborgen in gang moeten zetten.

Betekenis van de uitspraak voor de onderwijspraktijk

Scholen dienen er op bedacht te zijn dat zij niet enkel op aanwijzing van de afdeling Leerplicht van de gemeente over kunnen gaan tot uitschrijving van een leerling. Een en ander zal geverifieerd dienen te worden bij de ouders van de leerling. Indien de ouders van de betreffende leerling geen toestemming geven voor de uitschrijving zal door de school een verwijderingsprocedure opgestart dienen te worden.

Indien u meer informatie wenst dan kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00.

[1] Geschillencommissie Passend Onderwijs d.d. 25 juni 2019, nr. 108723.

Samenwerkingsverband zal diensten in het kader van Passend Onderwijs moeten aanbesteden

Samenwerkingsverband zal diensten in het kader van Passend Onderwijs moeten aanbesteden

Het samenwerkingsverband heeft onder andere de opdracht om de kwaliteit van de leerlingenzorg te verbeteren zodat zo veel mogelijk leerlingen binnen het regulier onderwijs kunnen blijven. Hiervoor biedt het samenwerkingsverband ambulante zorg aan. Bij de inkoop van deze ambulante zorg dient het samenwerkingsverband de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) in acht te nemen.

Aanbestedende dienst

Het samenwerkingsverband is een aanbestedende dienst en dus aanbestedingsplichtig op grond van de Aw 2012. Het samenwerkingsverband zal de inkoop van ambulante zorg in het kader van Passend Onderwijs dan ook moeten aanbesteden.

Ambulante diensten

Het aanbieden van ambulante zorg is een vorm van ondersteuning die erop gericht is leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces te laten doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs te bieden. Deze ambulante zorg kopen samenwerkingsverbanden in de regel in van externe partijen. Hierbij kan gedacht worden onder andere aan de expertisegebieden: ‘gedrag’, ‘fysiek/medisch’, ‘zeer moeilijk lerenden’ en ‘NT2’.

Drempelbedrag

Indien het samenwerkingsverband bij de inkoop van deze diensten het zogenaamde drempelbedrag overschrijdt, zal Europees aanbesteed moeten worden. Het drempelbedrag voor meergenoemde ambulante diensten bedraagt € 750.000,00. Indien dit drempelbedrag niet wordt overschreden, dan hoeft er ook niet Europees aanbesteed te worden. In dat geval kan, afhankelijk van de totale waarde van de opdracht, gekozen worden voor een minder uitgebreide en dwingende procedure, te weten een nationale aanbestedingsprocedure, een meervoudig onderhandse procedure dan wel een enkelvoudig onderhandse procedure.

Indien u meer informatie wenst over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het aanbesteden van ambulante diensten, dan kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00. Klik hier voor meer informatie over Het Onderwijskantoor en onze activiteiten.

Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)

Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een interessante uitspraak gewezen omtrent artikel 123 Wpo, dat de mogelijkheid biedt om in bijzondere gevallen aanvullende bekostiging toe te kennen. Uit het eerste lid volgt dat bij ministeriële regeling besloten kan worden om in geval van bijzondere ontwikkelingen in de sector bijzondere bekostiging toe te kennen. Dit is in deze zaak echter niet aan de orde. In het onderhavige geval draait het om het tweede lid van de bepaling waaruit volgt dat minister aanvullende bekostiging kan toekennen op verzoek van een school in verband met bijzondere omstandigheden in een concreet geval.

Feiten

De Stichting heeft een werkneemster ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid en aan haar een transitievergoeding uitgekeerd. De transitievergoeding, ook wel ontslagvergoeding genoemd, houdt in dat een werknemer recht heeft op een vergoeding indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd én de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. De Stichting heeft vervolgens aan de staatssecretaris verzocht deze kosten te vergoeden en beroept zich hierbij op artikel 123, tweede lid, Wpo. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen.

Het geschil

Het geschil heeft betrekking op de vraag of het onderscheid tussen het openbaar onderwijs en anderzijds het bijzonder onderwijs een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 123, tweede lid, Wpo, op grond waarvan aan de Stichting aanvullende bekostiging dient te worden verstrekt om de kosten van de in verband met het ontslag van werkneemster betaalde transitievergoeding te dekken. Het tweede lid van artikel 123 Wpo biedt de staatssecretaris de mogelijkheid om – in aanvulling op de lumpsum – aan een school die in bijzondere omstandigheden verkeert, onder door hem op te leggen verplichtingen, aanvullende bekostiging te verstrekken voor personeelskosten. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen wordt deze aanvullende bekostiging toegekend.

Op de eerste plaats stelt de Stichting dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu de werkgevers in het openbaar onderwijs niet geconfronteerd worden met de verplichting om een transitievergoeding te betalen. Voorts voert de Stichting aan dat er veel ontslagen vallen, nu zij zich in een krimpregio bevindt. Het zittende personeel vergrijst en kent hogere salarisschalen, wat betekent dat ook de transitievergoeding hoger uitvalt. Over 2016 en 2017 heeft zij bijna een half miljoen Euro aan transitievergoedingen betaald. Zo blijft minder geld over voor het opvullen van vacatures en verhoogt de werkdruk. Kortom, er is een scheefgroei tussen het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs, wat volgens de Stichting betekent dat artikel 123, tweede lid, Wpo ruimere toerekening geniet.

Oordeel Raad van State

De Afdeling oordeelt dat de gemaakte kosten voor de transitievergoeding niet in aanmerking komen voor aanvullende bekostiging ex artikel 123 lid 2 Wpo en dus voor rekening blijven van de Stichting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het een maatregel betreft die alle scholen waar personeel werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst treft en niet alleen de scholen waar de Stichting het bevoegd gezag van is. Het zijn kosten die behoren tot het normale werkgeversrisico. Deze kosten dienen dus uit de lumpsum gefinancierd te worden. Ook het feit dat de verplichting tot betaling van de transitievergoeding uitsluitend geldt voor scholen in het bijzonder onderwijs, maakt dit evenmin een bijzondere omstandigheid. Het beroep van de Stichting is ongegrond.

Verwijtbaar handelen maar toch recht op transitievergoeding voor werknemer Toneelacademie

Verwijtbaar handelen maar toch recht op transitievergoeding voor werknemer Toneelacademie[1]

 

In de huidige tijd waarin de #metoo beweging aandacht vraagt voor grensoverschrijdend gedrag, heeft het Gerechtshof Den Bosch de kantonrechter van de rechtbank Limburg op 2 mei 2019 gedeeltelijk teruggefloten.

De werknemer in kwestie was sinds 1989 in dienst van de Toneelacademie en werkzaam als senior docent bewegingsleer. In 2006 is hij gewaarschuwd, omdat met name vrouwelijke studenten niet wisten of de door de werknemer uitgevoerde fysieke houdingscorrecties als professioneel/vakmatig of privaat/ongewenst geïnterpreteerd moesten worden. In 2010 werd de medewerker wederom gewaarschuwd en werd hem elke vorm van fysiek contact bij instructie en houdingscorrectie met studenten verboden.

In oktober 2017 heeft een studente een melding gedaan van ongewenst gedrag van de medewerker. De medewerkers zou zijn hand op de billen van de student hebben gelegd/een tik gegeven hebben op de billen van de student en daarbij hebben gezegd dat hij dit al langer had willen doen. In november 2017 volgde een tweede melding van een andere studente. De medewerker had de studente tijdens een les in het bijzijn van medestudenten tweemaal gemasseerd en daarbij haar gehele lichaam nagelopen waarbij alle spiergroepen aan bod zijn gekomen (ook intieme delen/erogene zones waaronder de borsten).

De medewerker is vervolgens geschorst en de Toneelacademie heeft de Ombudsman, een vertrouwenspersoon en een extern bureau onderzoek laten doen naar de gang van zaken. De conclusie van het onderzoek was dat voornoemde handelingen zoals gemeld door de studentes daadwerkelijk hadden plaatsgevonden.

De Toneelacademie heeft de kantonrechter daarop verzocht om de arbeidsovereenkomst met de medewerker te ontbinden wegen ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker. De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat er inderdaad sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker en ontbond de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van de transitievergoeding. Daartoe overwoog de kantonrechter dat de medewerker al tweemaal indringend door de Toneelacademie was gewaarschuwd en dat de medewerker met zijn recente handelingen de grens van het toelaatbare ver had overschreden.

De medewerker is in hoger beroep gekomen bij het Hof tegen de uitspraak van de kantonrechter en heeft daarbij primair verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair om toekenning van de transitievergoeding.

Het Hof concludeert dat er inderdaad sprake was van verwijtbaar handelen, zoals door de kantonrechter betoogd. Herstel van de arbeidsovereenkomst wijst het Gerechtshof dus niet toe. Wel is het Hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker en dat de medewerker dus wel recht heeft op de transitievergoeding. Daartoe overweegt het Hof dat de Toneelacademie zelf ook een aandeel heeft in hetgeen er was voorgevallen. Het was namelijk aan de Toneelacademie om duidelijk te maken waren de grenzen liggen over wat wel en wat niet acceptabel is in termen van grensoverschrijdend gedrag, aangezien dit zowel bij de studenten als de docenten niet duidelijk was.

Een les die uit deze uitspraak geleerd kan worden is dat een werkgever bij grensoverschrijdend gedrag van een medewerker ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om duidelijke signalen af te geven waar de grenzen volgens haar precies liggen over wat wel en niet acceptabel is.

[1] Rechtbank Limburg 12 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6664 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1649.

Invulling onderwijs is de bevoegdheid van de school

Invulling onderwijs is de bevoegdheid van de school

Op 5 april jl. heeft de voorzieningenrechter in Roermond een interessant vonnis gewezen betreffende een leerling van klas 4 vmbo. Het bevoegd gezag, bijgestaan door het Onderwijskantoor, concludeerde dat de leerling door zijn gedrag geen klassikaal onderwijs meer mocht volgen, maar een aangepast maatwerktraject kreeg aangeboden buiten het klassikale onderwijs.

Door de ouders was op de eerste plaats gesteld dat door deze wijze van aanpak er sprake was van een schorsing, omdat de leerling geen toegang tot de klas had. De rechter volgde dit standpunt niet, aangezien de leerling werd toegelaten tot de school, ook al was dat een andere locatie en werd buiten de klas een maatwerktraject aangeboden. Er was dus geen sprake van een schorsing.

De voorzieningenrechter oordeelde vervolgens dat een school bij het aanbieden van passend onderwijs een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting heeft.  Naast deze inspanningsverplichting van de school, staat ook een inspanningsverplichting van de leerling en de ouders. De rechter constateerde dat de wijze waarop het onderwijs werd aangeboden een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag is en dat de rechter deze slechts marginaal kan toetsen. Daarbij is het van belang dat de school als onderwijsinstelling bij de uitvoering van haar taak om de veiligheid, rust en orde op school te handhaven een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt. Alleen daar waar de school niet in redelijkheid tot het gevoerde beleid of een getroffen maatregel heeft kunnen komen, vindt deze vrijheid haar grens. Daarbij volgde de rechter het standpunt van het bevoegd gezag dat ook de belangen van de medeleerlingen een rol speelden en dat het aanbieden van een maatwerktraject noodzakelijkerwijs haar grenzen kent daar waar dit maatwerktraject ten koste gaat van het onderwijs aan die overige leerlingen. De school had, aldus de rechter, er alles aan gedaan om passend onderwijs aan te bieden. De rechter volgde het bevoegd gezag in de stelling dat een verdere uitbreiding van het maatwerktraject zou leiden tot ernstige financiële en organisatorische problemen binnen de school.

Gezien de recente datum van het vonnis is het vonnis nog niet gepubliceerd.

VO-congres 2019

VO-congres 2019

Het Onderwijskantoor is wederom aanwezig tijdens het VO-congres van de VO-raad, dit jaar op donderdag 28 maart 2019.

Voor elk rechtsgebied een specialist

De volgende specialisten van Het Onderwijskantoor zullen u bij onze stand bijpraten en uw vragen beantwoorden ten aanzien van verschillende onderwijsthema’s.

Herman Berendsen       onderwijsrecht, aanbestedingsrecht, onderwijshuisvesting en -bekostiging, arbeidsrecht voor schoolbesturen

Sylvana Klein               informatie over lunchlezingen, incompany lezingen, mantelovereenkomsten met Het Onderwijskantoor

Kevin Meegdes             opstellen contracten, contractadvies, aanbestedingsrecht

Kim Oligschlager          onderwijsspecifieke aanbestedingen, contracten, privacy, rechtmatigheidscontrole accountant

Marion van Roekel       arbeidsrecht voor schoolbesturen, onderwijsrecht

Cindy Schröder            onderwijshuisvesting en -bekostiging

Gigi Schutte                onderwijsspecifieke aanbestedingen, beleidsadvies, contracten, rechtmatigheidscontrole accountant

 

Maak kans op een workshop bij u op school

Wij nodigen u uit om deel te nemen aan onze prikkelende stelling, die wij u voorleggen bij onze stand. Onder de deelnemers aan de stelling verloten wij 3 workshops, die kosteloos door onze specialisten in de school (incompany) worden verzorgd.

Dus kom naar onze stand, geef uw mening, kruis aan welke workshop uw voorkeur heeft en binnen één week na het VO-congres maken wij de winnaars bekend!

Wij hopen u weer te verwelkomen op 28 maart 2019!

Ontslag op staande voet wegens wegnemen spullen blijft in stand

ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet wegens wegnemen spullen blijft in stand

Werknemer is per 1 januari 2009 in dienst getreden van FVH, een schoonmaak- en huismeesterbedrijf. Op 3 oktober 2018 is werknemer op staande voet ontslagen wegens het wegnemen en/of meenemen van spullen, omdat hij een derde in het pand van een opdrachtgever van FVH heeft toegelaten en omdat werknemer tijdens het onderzoek verschillende, tegenstrijdige, verklaringen heeft afgelegd. Werknemer verzoekt in deze procedure vernietiging van het ontslag op staande voet.

Volgens de kantonrechter is sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Het verleende ontslag is onverwijld gegeven; het past bij de eisen van goed werkgeverschap dat een werknemer eerst gehoord wordt alvorens tot het ontslag op staande voet over te gaan. Het is vaste rechtspraak dat het eerst aanbieden van een vaststellingsovereenkomst niet in de weg staat aan het voldoen aan de onverwijldheidseis. Er is sprake van een dringende reden. Volgens de kantonrechter wist, of behoorde, werknemer te weten dat hij zonder expliciete toestemming van FVH of de opdrachtgever geen spullen uit het pand van de opdrachtgever mocht meenemen of meegeven aan derden, ook niet als het in zijn ogen ging om zaken waarvan afstand was gedaan dan wel afval. Het ontslag op staande voet blijft in stand; het verzoek van werknemer wordt afgewezen.

Terug