Fusiecompensatie PO

In het basisonderwijs geldt de zogenaamde ‘fusiecompensatieregeling’. Deze regeling beoogt kort gezegd basisscholen te compenseren voor het wegvallen van onder meer vaste voeten, het verminderen van het aantal toeslagen ten behoeve van de schoolleiding en het verdwijnen of verminderen van de kleine scholentoeslag bij een fusie van basisscholen. De regeling beoogt negatieve prikkels weg te nemen die ontstaan bij het samenvoegen van basisscholen. Over deze regeling is een aantal rechtszaken gevoerd met wisselende conclusies. Middels een arrest van de Raad van State wordt duidelijkheid geboden.

Terugvordering fusiecompensatie

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, hierna te noemen: “Minister”, heeft in het verleden veel stof doen opwaaien door aan basisscholen op grond van de fusiecompensatieregeling 2015 toegekende fusiecompensatie terug te vorderen. Reden hiervoor was dat er op de fusiedatum géén leerlingen van de verdwijnende basisschool waren overgegaan naar de fusieschool, zodat er volgens de Minister niet gesproken kon worden van een samenvoeging.

De stand in de lagere rechtspraak hierover was reeds bekend, maar herhalen wij kortheidshalve nogmaals.

Lagere rechtspraak

Het merendeel van de rechters in eerste aanleg oordeelt dat de Minister de fusiecompensatie niet mocht terugvorderen, aangezien uit de fusiecompensatieregeling 2015 niet volgt dat het overgaan van leerlingen op de fusiedatum naar de fusieschool als voorwaarde heeft te gelden voor het ontvangen van fusiecompensatie.

Raad van State

Recentelijk heeft echter de Raad van State zich in drie zaken over het door de Minister terugvorderen van voornoemde fusiecompensatie uitgelaten, waarbij de Raad van State de Minister in het gelijk stelt. Volgens de Raad van State dient voor de uitleg van het begrip samenvoeging aansluiting gezocht te worden bij de betekenis daarvan in het normale spraakgebruik. De betekenis van de term samenvoeging is het tot een eenheid of geheel verenigen.

De Raad van State is van mening dat de essentie van het bestaan van een basisschool wordt ingegeven door het bieden van onderwijs aan leerlingen.  Een basisschool kan niet bestaan zonder leerlingen. Een basisschool die op de fusiedatum geen leerlingen heeft kan derhalve niet fuseren, maar dient te worden opgeheven.

De Raad van State heeft daarmee duidelijkheid verschaft ten aanzien van de mogelijkheid van de Minister om verstrekte fusiecompensatie op grond van de fusiecompensatieregeling 2015 terug te vorderen.

Huidige stand van zaken

Met ingang van het schooljaar 2017-2018 is een nieuwe fusiecompensatieregeling van kracht. De fusiecompensatieregeling 2017 bepaalt – in tegenstelling tot de fusiecompensatieregeling 2015 – expliciet, dat aanspraak bestaat op fusiecompensatie indien er een instroom heeft plaatsgevonden van de verdwijnende basisschool naar de fusieschool van minimaal 50%, respectievelijk tussen de 25% en 50%, van de leerlingen van groep 1 tot en met 7.

De voorwaarden waarop een basisschool aanspraak kan maken op fusiecompensatie zijn derhalve thans duidelijk.

Een en ander neemt echter niet weg dat basisscholen nog immer in onzekerheid verkeren of zij na een voorgenomen fusie daadwerkelijk aanspraak kunnen maken op fusiecompensatie. De feitelijke instroom van leerlingen op de fusieschool wordt immers pas duidelijk op 1 oktober, na de fusiedatum, en basisscholen hebben géén invloed op de keuze van ouders om hun kinderen al dan niet in te schrijven op de fusieschool.

Het is derhalve maar de vraag of de fusiecompensatieregeling 2017 de negatieve prikkel om basisscholen samen te voegen daadwerkelijk wegneemt.

Fusiecompensatie PO
Terug