Iedere werknemer heeft recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Maar wie stelt de vakantieperiode nu eigenlijk vast: de werkgever of de werknemer?

Krachtens artikel 7:638 lid 2 BW stelt de werkgever de vakantie vast overeenkomstig de wensen van de werknemer. De zeggenschap over de vastgestelde vakantieperiode ligt aldus in belangrijke mate bij de werknemer. De werknemer kan, afhankelijk van de privéwensen, bepalen in welke periode en voor hoe lang men vakantie opneemt. De werknemer maakt de wensen – schriftelijk – kenbaar bij de werkgever en de werkgever dient vervolgens binnen twee weken te reageren. Laat de werkgever na om te reageren, dan wordt de vakantie geacht te zijn vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer.

Dient de werkgever zich altijd te conformeren aan het verzoek van de werknemer omtrent vakantie? Zoals reeds beschreven is het verzoek van de werknemer aangaande de vakantieperiode in beginsel leidend. De aanvraag van de werknemer kan echter worden afgewezen indien de werkgever daar een gewichtige reden voor heeft. Van een gewichtige reden kan sprake zijn als het onwenselijk is voor de werkgever, met het oog op het bedrijfsbelang, als te veel collega’s in dezelfde periode op vakantie gaan. Daarnaast kan een werkgever ook afwijken van de hoofdregel als met de werknemer – op schrift gestelde – afspraken zijn gemaakt die afwijken van de wettelijke regel. In de arbeidsovereenkomst of cao kunnen bijvoorbeeld verplichte vakantiedagen worden vastgelegd.

Mr. Vian Vonken verzorgt 11 december a.s. een lunchlezing over vakantie en verlof waarvoor u zich via onderstaande link kunt aanmelden:

https://sijbenpartners.nl/lezingenseminars/aanmelden.php?sector=AR

Aan deelname zijn geen kosten verbonden.

Indien u meer informatie wenst dan kunt u contact opnemen via info@sijbenpartners.nl dan wel via 045 – 560 22 00.

Wie is de baas over vakantiedagen: de werkgever of werknemer?
Terug