Zorgplicht voor (buitenschoolse) activiteiten (ECLI:NL:GHARL:2018:5150)

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft een interessant arrest gewezen over de werkgeversaansprakelijkheid met betrekking tot (buitenschoolse) activiteiten.

In het kader van artikel 7:658 BW dient een werknemer te stellen en bewijzen dat hij schade geleden heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Slaagt de werknemer daarin dan is de werkgever voor die schade aansprakelijk tenzij de werkgever bewijst: (i) dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht, (ii) voldoening aan de zorgplicht de schade niet had kunnen voorkomen of (iii) de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

In de uitspraak stond de vraag centraal of de verplichte aanwezigheid bij – en deelname aan – een schaatsactiviteit door een docent kan worden aangemerkt als uitoefening van zijn werkzaamheden en indien zulks het geval is of het betreffende schoolbestuur aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Feiten

De heer X was in de functie van mentor/loopbaanbegeleider en docent werkzaam bij ROC. Het ROC is een onderwijsorganisatie voor middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs voor volwassenen, bedrijfsopleidingen en participatieonderwijs.

Het ROC hanteert een bewegingsnorm van 5%, welke inhoudt dat studenten 5% van de totale opleidingstijd dienen te besteden aan beweging. Naast sportactiviteiten die onderdeel uitmaken van het lesprogramma gedurende het schooljaar wordt elke lesperiode afgesloten met een “breekweek”. In zo’n breekweek wordt voor studenten een activiteit georganiseerd door de Sportdesk van het ROC. In het thans voorliggende geval was een schaatsactiviteit georganiseerd waarbij de heer X als begeleider aanwezig was.

De heer X is tijdens het schaatsen ten val gekomen waarbij hij met zijn hoofd op het ijs terechtgekomen is. De heer X heeft daarbij een postcommotioneel syndroom opgelopen en werd in het kader van de WIA 79% arbeidsongeschikt geacht.

Het ROC erkende géén aansprakelijkheid voor de gevolgen van de val van de heer X.

Oordeel kantonrechter

In eerste aanleg vorderde de heer X kort gezegd een verklaring voor recht dat het ROC ten opzichte van hem aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die hij lijdt als gevolg van het schaatsongeval.

De kantonrechter had de vordering van de heer X toegewezen.

Het ROC kon zich niet verenigen met het vonnis van de kantonrechter en is in hoger beroep gegaan.

Oordeel Hof

Het Hof oordeelde dat de heer X schade geleden heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden in het onderhavige geval, aangezien de schaatsactiviteit tot het curriculum behoorde en door docenten diende te worden begeleid. De vrijwillige aanmelding door de heer X als begeleider doet aan het vorenstaande niet af. Aangezien het ROC geen handvatten heeft geboden om nadere invulling te geven aan de taak van de begeleiders, kan niet gezegd worden dat het actief deelnemen aan de schaatsactiviteit door de heer X geen juiste taakopvatting is geweest.

Er rust op het ROC een zorgplicht om de heer X te instrueren en te waarschuwen voor de aan het schaatsen verbonden risico’s. Eveneens had het ROC – al dan niet tegen een geringe vergoeding – helmen ter beschikking dienen te stellen. Schaatsen is immers geen alledaagse activiteit waarbij wel een duidelijk risico bestaat op vallen en/of letsel. Door enkel instructies te verstrekken over het gebruik van de handschoenen en het type schaats dat kon worden gebruikt, heeft het ROC volgens het Hof in het onderhavige geval niet aan haar zorgplicht voldaan.

Tot slot bepaalt het Hof dat eigen schuld van een werknemer nooit een rol speelt bij de beoordeling of de werkgever aan zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft voldaan. Enkel opzet of bewuste roekeloosheid zijdens de werknemer kan tot disculpatie van aansprakelijkheid bij de werkgever leiden. Hier was in het onderhavige geval geen sprake van.

Betekenis van de uitspraak voor de onderwijspraktijk

Deze uitspraak bevestigt nogmaals dat artikel 7:658 BW een ruime zorgplicht inhoudt voor werkgevers. Indien schoolbesturen activiteiten organiseren waar onder andere werknemers bij betrokken (dienen te) zijn, moet het bevoegd gezag bedacht zijn op de risico’s die met de betreffende activiteit gepaard gaan. Vervolgens dienen alle maatregelen getroffen en aanwijzingen gegeven worden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om te voorkomen dat werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden schade lijden. Welke maatregelen en/of aanwijzingen in een specifiek geval aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.

Zorgplicht voor (buitenschoolse) activiteiten (ECLI:NL:GHARL:2018:5150)
Terug