Werkneemster is op 6 april 2018 bij werkgever in dienst getreden in de functie van (sushi)kok. Op 2 december 2018 heeft werkgever werkneemster op staande voet ontslagen, omdat zij haar bedrijfsleider zou hebben geslagen en een mes naar zijn hoofd zou hebben gegooid. Werkneemster verzoekt om een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft betwist dat zij haar bedrijfsleider heeft geslagen dan wel een mes naar hem heeft gegooid. Werkgever moet derhalve bewijzen dat de dringende reden op 2 december 2018 aanwezig was. Bij de huidige stand van zaken heeft werkgever onvoldoende bewijs geleverd. Werkgever heeft een concreet bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter zal werkgever dan ook toelaten tot het bewijs van haar stelling dat sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt.

 

Arbeidsrecht artikel: Tussenbeschikking. Werkgever wordt in de gelegenheid gesteld om de dringende reden te bewijzen
Terug