Vier procent jongeren volgt geen opleiding en werkt niet

In 2017 was vier procent van de jongeren van 15 tot 25 jaar niet aan het werk, en volgde ook geen opleiding. Dat komt neer op 84 duizend jongeren. Ruim vier op de tien geven aan ook niet te willen of kunnen werken. Gezondheidsproblemen zijn de meest genoemde reden. Dit blijkt uit recent CBS-onderzoek op basis van de Enquête beroepsbevolking. Het percentage jongeren dat zowel niet werkt als geen opleiding volgt, is in Nederland het laagst van alle EU-landen. Het EU-gemiddelde lag in 2016 op 12 procent. In Italië was dit aandeel met 20 procent het grootst.

Stabiel rond de vijf procent
In Nederland schommelt het percentage jongeren die niet werken en niet studeren al jaren rond de vijf procent. Ook het EU-gemiddelde is al jaren vrij stabiel. Er zijn ook landen waar het percentage niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren tussen 2007 en 2016 is toegenomen, bijvoorbeeld in Roemenië en Griekenland. In Denemarken en België is dit percentage gedaald.

Ruim vier op de tien willen of kunnen niet werken
43 procent van de jongeren die niet werken én geen onderwijs volgen, geeft aan dat ze niet willen of kunnen werken. Deze groep staat het verst af van de arbeidsmarkt. Daarnaast kan bijna een op de vijf niet direct beginnen, of heeft niet recent naar werk gezocht. Bijna een derde van de niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren is actief op zoek naar werk en is daar ook direct beschikbaar voor. Zij behoren tot de werkloze beroepsbevolking. De in- en uitstroom in de groep niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren is groot. Zo heeft een derde binnen drie maanden werk gevonden of is weer een opleiding gaan volgen.

Gezondheid belangrijkste reden om niet te werken
Voor degenen die niet willen of kunnen werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid de meest voorkomende reden. Daarnaast geeft 12 procent aan vanwege studie of een opleiding niet te willen werken. Dit zijn bijvoorbeeld jongeren die binnen afzienbare tijd weer beginnen met een opleiding. Verder geeft 6 procent de zorg voor het gezin of het huishouden als reden. Vergeleken met hun leeftijdsgenoten hebben niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren bijna twee keer zo vaak een of meer kinderen.

Ontslag op staande voet wegens werkweigering niet rechtsgeldig, toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding

Rechtbank Noord-Holland, 30 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2732

Werkneemster is in 2006 in dienst getreden bij werkgeefster. In februari 2017 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. In augustus 2017 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van UWV op grond van bedrijfseconomische redenen opgezegd tegen 1 december 2017. In oktober 2017 had werkneemster een terugval vanwege een gebrek aan vertrouwen tussen werkgeefster en werkneemster. In dat verband is een gesprek tussen partijen ingepland op 3 november 2017, waarvoor werkneemster verhinderd was, hetgeen zij aan werkgeefster heeft laten weten. Werkgeefster heeft dit aangemerkt als werkweigering en heeft werkneemster bij e-mail van 2 november 2017 op staande voet ontslagen.

In deze procedure verzoekt werkneemster primair een verklaring voor recht dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van minimaal € 6.300,00 bruto. Voor zover sprake zou zijn van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, verzoekt werkneemster subsidiair om voor recht te verklaren dat de dringende reden niet ernstig verwijtbaar is en toekenning van de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat op 2 november 2017 geen sprake kan zijn van een ontslag vanwege werkweigering op 3 november 2017. Immers stond op 2 november 2017 (nog) niet vast dat werkneemster op 3 november 2017 niet zou verschijnen. Uit de overgelegde e-mailberichten volgt niet onomstotelijk dat werkneemster niet zou komen, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij toch zou besluiten naar het gesprek te komen. De kantonrechter oordeelt dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van werkgeefster had gelegen om werkneemster te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering en om vervolgens af te wachten of werkneemster op 3 november 2017 zou verschijnen. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is dus geen sprake, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter kent aan werkneemster de transitievergoeding toe en ziet daarnaast aanleiding om een billijke vergoeding aan werkneemster toe te kennen van € 3.150,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter onder meer in aanmerking dat tussen partijen reeds vast stond dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn, namelijk per 1 december 2017, rechtsgeldig zou komen te eindigen.

Zwangere werkneemster mag worden ontslagen bij collectief ontslag

Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:691

De werkgever, een Spaanse bank, heeft de werkneemster laten weten dat haar arbeidsovereenkomst wordt beëindigd als gevolg van reorganisatie. De keuze is op haar gevallen, omdat zij één van de laagste scores had qua functioneren in de provincie Barcelona. De werkneemster was zwanger ten tijde van haar ontslag. De Spaanse rechter heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over de mate van bescherming van zwangere werkneemsters bij een collectief ontslag.

Het hof overweegt dat een ontslag wegens zwangerschap onverenigbaar is met het ontslagverbod van artikel 10 van richtlijn 92/85. Een ontslagbesluit tijdens de zwangerschap of het zwangerschapsverlof om redenen die daarmee geen verband houden, is echter niet in strijd met de richtlijn, op voorwaarde dat de werkgever schriftelijk gegronde redenen opgeeft voor het ontslag en het ontslag is toegestaan op grond van het nationale recht. Ontslag van een zwangere werkneemster als onderdeel van een collectief ontslag is dus toegestaan, mits de objectieve criteria worden vermeld die zijn gehanteerd bij het selecteren van de voor ontslag in aanmerking komende werknemers. De richtlijn vereist ook niet dat lidstaten voor werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie voorzien in een voorrangsstatus bij behoud van de arbeidsplaats of bij herplaatsing in een andere functie. Wel moeten lidstaten zowel preventieve als reparatoire bescherming bieden tegen zwangerschapsontslag. Het ontbreken van preventieve bescherming kan niet worden gerepareerd door een regeling die een niet gerechtvaardigd ontslag achteraf nietig verklaart.

Terug